Kaarsen

  • Kaarsen nooit zonder toezicht laten branden
  • Het etiket of de op de kaarsen aangebrachte symbolen respecteren. Symbolen vindt men op kaarsen die internationaal verkocht worden
  • Het is aan te raden minimaal een zevental cm vrij te laten tussen de kaarsen. Zo voorkomt men dat de warmte van de ene kaars het branden van de andere beïnvloedt
  • Kaarsen niet in de tocht plaatsen: ze branden onregelmatig, gaan roken en kunnen uitdoven
  • Kaarsen niet in direct zonlicht plaatsen: ze kunnen smelten en hun kleur verliezen
  • Wiek bijknippen: het is aan te raden de wiek bij elk nieuw gebruik tot op 5 mm bij te knippen. Als de wiek te lang is, zal de kaars onregelmatig branden of druipen Als de vlam te schuin gaat branden, moet de klant nakijken of de wiek rechtop is blijven staan en, indien nodig, de stand van de wiek bijstellen
  • Het kan nuttig zijn de rand van de kaars bij te knippen als het lampioneffect ontstaat. Te diep laten inbranden kan een schoorsteeneffect veroorzaken, waardoor de vlam lucht gaat happen en de kaars uiteindelijk gaat walmen en wapperen
  • Het bijknippen van de rand kan nodig zijn als deze naar buiten dreigt door te zakken en er op die manier vloeibare was wegstroomt
  • De brandtijd van kaarsen met meerdere wieken beperken tot maximaal 3 uur
  • De ondergrond controleren waarop een brandende kaars geplaatst wordt: deze moet vlak en warmtebestendig zijn
  • Een goede opvang van eventueel afdruipend kaarsvet voorzien
 

 

Hilde Van Dewalle
Filip De Smet
Hilde Van Dewalle